Mag ik binnen komen

Sprietje voor sprietje eruit trekkend, werk ik in de tuin om ruimte te creëren. In het bloemenperkje, maar vooral ook in mijn eigen gedachtes, die vaak met me op de loop gaan. Ik ga meditatief te werk met de fijngevoeligheid van de hersenchirurg, en met de overgave van de Zen boeddhist. Toepasselijk op de knieën, als in een smeekbede aan het spirituele universum.

“Henri, Hénrí, de bel gaat, doe je even open?”

“Ik ben net in de tuin aan het wroeten, kun jij niet open doen?”

“Nee, ik sta op het punt onder de douche te gaan.”

“Oké, oké, ik ga al,”  mompel ik in mijzelf en loop naar de voordeur, het zwart van de aarde nog onder mijn nagels.

“Robin?”

“Meneer Henri,” salueert de aanbeller, terwijl hij grappend en komedie spelend een plechtige buiging maakt. Stralende pretoogjes, die de blijdschap uitstralen, die horen bij de vreugde van het zien van iemand, waar je een connectie mee hebt, die je lang niet hebt gezien.

Robin, ooit mijn hartsvriend door dik en dun. Helaas was het een vriendschap die geen stand had gehouden. Waar abrupt een einde aan was gekomen. Wat pijn en verdriet had veroorzaakt. Wat mijn vertrouwen in vriendschappen voorgoed had beschadigd. Omdat zijn ware aard was  komen bovendrijven, waar ik geen weet van had, waarvan ik het bestaan niet eens kende. Eerst met kleine vergeeflijke dingetjes en dan met de genadeklap van het financiële bedrog, die de verbindingslijnen van het vertrouwen van mij in hem, aan flarden had getrokken als een aardbeving met de kracht van 9 op de schaal van Richter. Een aardscheur trekkend zo diep, dat het niet meer was te overbruggen. Sindsdien verblijf ik in een droefgeestigheid als ik aan hem denk, waarbij alle mooie dingen, die ik met hem heb meegemaakt, overschaduwd worden door een deken van pijn. En ineens staat deze man weer voor mijn neus, alsof er niets is gebeurd, zijn pretoogjes gebruikend om me te kunnen omarmen. Maar in een reflex houd ik het front gesloten, een barrière uit één stuk vormend, de deurpost, ikzelf, verkrampt door verzet en de deur, stevig tegen me aangedrukt, geen ruimte latend voor een opening die kon duiden op een uitnodiging om binnen te komen.

Als in een ‘life review’, die feitelijk maar een paar seconde duurt, maar inhoudelijk een heel mensenleven kan bevatten, voel ik mij doorzeeft worden met flashbacks van milliseconden.

Mijn gedachten vervlechten zich hierbij, onaangenaam verrast door zijn komst, tot een melancholisch muziekstuk, waarin ik het lied zing als een Fado zanger in een klein zwaar berookt kroegje in Lissabon, voor een publiek, die mijn heimwee deelt. Omdat zij zelf ook heimwee hebben vaak niet wetend waar naar. Ik zing over het gemis van mijn vriend, over heimwee naar hoe het is geweest. Een lied over hechte vriendschap, welke gedoemd was te mislukken, omdat het té mooi leek te zijn. Een lied over elkaars’ aanvullingen en over de gesprekken met diepgang, tot diep in de nacht. Over wandelingen in de natuur en  de ontroering, die we samen deelden voor het moois van Gods creaties. Over verkenningen en over grenzen opzoeken.

Ik voel de pijn weer in mijn hart opkomen. Duizend keren heb ik de beelden gedeeld in mijn dromen, gekoesterd en me er aan vastgesnoerd, om niet wakker te worden en ze te kunnen herbeleven. Wat mis ik zijn de etentjes en de discussies over spiritualiteit en onze dromen naar een betere wereld, over dat we samen een taak hierin hadden. Zijn kookkunst, waarbij iedere maaltijd steeds weer meer was, dan alleen maar tongen strelen. Meer een ‘experience’, waarin hij je meenam naar exotische oorden. Naar India, waar hij een jaar door gezworven had of naar Thailand en de meditaties in kloosters, waar hij zich aangemeld had als een zoeker naar ‘the inner self” en waar hij moest bedelen op straat, in een oranje toga, het hoofd kaal geschoren, om zichzelf te bevrijden van zijn ego.

Ik kwijlde bij die verhalen over zijn zoektocht naar bevrijding en voelde mijn eigen zoektocht zich openbaren, die me mijn leven lang had achtervolgd. Vermomd in een vorm van onrust, die ik niet kon plaatsen en die aan mij knaagde, zonder dat ik wist waar het vandaan kwam, wat er aan ten grondslag lag en wat ik eraan kon doen. Door hem werd ik eraan herinnerd. Hij opende bij mij het fenomeen ‘gevoel’. Iets wat ik niet kende, omdat ik het heel mijn leven onbewust had onderdrukt. om me af te schermen voor de pijn, die het vaak met zich meebrengt, maar welke  fenomeen juist tot de  inzichten leidt die ik miste, zo vertelde hij me. Door hem werd deze bron langzamerhand  aangeboord. Door onze gesprekken hierover en door zijn verhalen wat hij allemaal had meegemaakt. Door zich kwetsbaar op te stellen, als we aan het rand van het bos zaten, speurend naar wild uit de bossen, die zich een kijkje op de weide hadden aangedurfd. Ik ontmoette in hem een wereld die ik niet kende. In hem ontmoette ik uiteindelijk ook de pijn van een bedrogen vriendschap. Een niet begrijpende handeling van een persoon, die ik als een zuiver mens had beschouwd, eerlijk en oprecht in zijn vriendschap voor mij. Waaraan ik me opgetrokken had, eerst weifelend en dan met overgave. De gewonde, die nog in ene genezingsproces zat van een herstel van een zware burned out. Die de uitgestoken hand had vastgepakt, van een zich openbarende soulmate, maar wat achteraf de klauw bleek te zijn van de wolf in schaapskleren.

Ik probeer geforceerd nuchter te worden uit deze melancholische dronkenschap, gevoed door de genotsfactor  van de mooie beleefde momenten, maar destructief uitwerkend door het uitdrogende effect van het bedrog. Ik probeer uit alle macht me te ontdoen van de herinneringen, waar hij me met zijn komst ineens aan heeft blootgesteld, maar verzink in de rebound toch weer, als in een vrije val, in een stroom aan gedachtes, die meer pijn doen, dan dat ik er van geniet. Pijn door de heimwee naar die goede oude tijden, wetend dat die niet meer zullen terugkomen. Heimwee naar de wandelingen die we samen door de natuur hebben gemaakt. Hoe hij mijn hart heeft geopend, om naar de natuur te kijken, als naar een opengaande kelkbloem. Haar geuren prijsgevend aan de wind om de bijtjes te lokken en stuifmeel in contact te brengen met de stempels, de verbloemde baarmoeders van de kruidenplanten, die zorgden dat het vermenigvuldigingsproces  zijn gang kan gaan, afgescheiden van wind en regen, de vrucht wiegend op het ritme van het leven. Hoe we samen op de motor door de natuur reden, op zoek naar nieuwe ontboezemingen, waarbij ik, als zijn gast, op de blauwe cross motor mocht, waarbij hij voor mij op de scooter croste, over de modderweggetjes naar niemandsland, in een voorzichtig balancerende cadans, als was hij een balletopvoering aan het geven. Ik als een prins op het witte paard en hij zwoegend op een vehikel, die steeds weer tot zijn as in de modder zakte, en dan woest zijn zwarte gal spoot over zijn jas, doordat hij zich niet wilde laten intimideren door het natte stof der aarde en de gashendel steeds weer vol opendraaide. Een ogenschijnlijke intimiteit van de gulle gever  en degene die mocht nemen, ontvangen. Wat had ik me gevleid gevoeld en wat kwam de klap hard aan, in het financiële bedrog, wat later volgde, toen ik gepakt en gezakt me volledig had overgeleverd aan het vertrouwen van de vriendschap, als in een mooie film, niet wetende dat het een horror film bleek te zijn.

“Henri, hallo, contact,” hoorde ik hem ineens roepen, terwijl ik ontwaakte uit de trance. “Doe de deur open, ik ga voor je koken! Zie je wat ik voor je heb meegebracht, verse truffels en porcini en een fles Nero Davolo.”

Ik voel de vloer op en neer bewegen, als op een boot bij ruw weer. Mijn keel voelt te ruw om te praten. Er zou slechts een schraal piepend schor geluid uit komen, die door niemand verstaan zou worden. Mijn benen voelen als van onder het parket vastgenageld, met lange krammen in de rubber zolen verankerd. Mijn handen voelen gereumatiseerd, waarvan de vingers zich krom om de deurpost hebben verkrampt en waar geen beweging meer in te krijgen is. Ik schud ‘nee’ met een triestheid, die de doden doet herleven en duw de deur voor zijn neus weer dicht, tot ik de klik hoor van het slot. Mijn lymfeklieren in mijn hals zijn opgezet. Hoe durfde hij mijn leven weer proberen overhoop te halen, alsof er niets is gebeurd.

Langzaam begint er weer leven in mij te komen als ik buiten de voetstappen van de leren zolen hoor wegsterven. Een autodeur hoor dichtslaan en het gebrom van de auto hoor, die stilaan uitdooft als een opgebrande kaars, als de auto de hoek omslaat . Mijn vrouw komt naar beneden en vraagt wie het was.

“Dat raadt je nooit!”

“Wie dan?”

“Robin”

“Robin?”

“Ja, Robin,” zei ik triest en geëmotioneerd. Zij snapt wat er in mij omgaat en neemt me even troostend in haar armen.

Terug naar de tuin, ga ik door met onkruid wieden. De flashbacks blijven komen, maar nu de minder nostalgische, de minder mooie. Met fysieke pijn in het hart, denk ik terug aan wat hij me geflikt heeft. Dan pak ik een grote distel bij zijn kladden, die zich pontificaal genesteld heeft in het midden van het bloembed, als was hij de koning van het rijk, en met een ferme ruk trek ik hem, met wortel en al, uit de aarde.

“Zo, dat lucht op.

HenriB.

Don`t copy text! Auteursrechtelijk beschermd, Plagiaat check ingeschakeld op verzoek uitgever