Kapper Huub deel 1

Voor de ingang van ‘Huub’s Herenkapper’ hing een aankondiging: ”Gelieve alleen met pinpas te betalen”. Even ging er een soort van tinteling door me heen. In mijn nekstreek. Ik had het vaker. Uit ervaring betekende dit ”Opletten geblazen! Alert!, Gevaar!”  Ik deed het deze keer af met een nonchalant gebaar. Teveel naar  ‘Opsporing Verzocht’ gekeken, het TV programma dat het publiek betrok bij het opsporen van misdadigers. Ik ging de kapperszaak binnen. Huub had even geknikt als teken van herkenning en was verder gegaan met de man in de stoel waarmee hij een serieus gesprek leek te voeren. De man had dik mooi grijs haar. Ik kon een jaloerse gedachte niet onderdrukken. Dat van mij was niet veel meer  dan een kale kruin met aan de zijkant wat wildgroei. Mijn vrouw vond het niet staan. “Einstein”, zei ze dan pertinent. Ik wist wat dat betekende. Tegensputteren had bij haar geen zin. Dan sjokte ik maar weer naar Huub, mijn al bejaarde kapper, de nog enige heren-kapper in ons dorp. Meestal was het er druk, maar deze keer niet. En dus betrad ik spontaan de plek, waar intimiteiten konden worden gedeeld met degene die altijd een luisterend oor voor iedereen aan de dag legde, terwijl hij  knip, knip zijn werk deed. Hij draaide dan om je heen als een roofdier die zijn buit observeerde, op zoek naar de beste plek om bij je binnen te dringen. Als hij eenmaal beet had liet hij niet meer los, tot ongenoegen van de wachtenden. De spontane beslissing om juist vandaag bij Huub binnen te wippen kwam voort uit een verlangen om mijn vrouw te verrassen met een lekker kortwiekt koppie. Ik was net naar de bank geweest om geld op te halen. We hadden een autootje gekocht. Een tweedehandsje. We zouden hem ’s-middags gaan ophalen. Mijn rugzak had zwaar en rijk gevoeld met al dat geld. Op weg naar huis was ik langs Huub gekomen.

Ik was snel aan de beurt. Ik werd plechtig door Huub uitgenodigd op zijn troon plaats te nemen.  Net toen ik mijn ziel in de handen van Huub wilde leggen, zag ik in een fractie van een seconde in mijn ooghoeken, twee mannen en een vrouw voor de etalage staan. Ze leken me te begluren. Ze rookten met snelle korte halen, praatten geagiteerd met elkaar, waarbij de ene  af en toe een vluchtige, nerveuze blik naar binnen wierp. Ik kon ze observeren via de spiegel. De langste van de twee had een gouden tand . Ik zag meteen De boef van ‘Home Alone’ voor me. De aankondiging van Huub schoot door mijn hoofd: ”Gelieve alleen met pinpas te betalen”. De tinteling die ik had gevoeld in mijn nek! Ik keek naar mijn rugzak naast me op de andere kappersstoel. “Wat moest ik doen als die twee mannen binnenkwamen met de slechtste bedoelingen?” Ik voelde mij gevangen in het kappers’ korset van Huub. Weinig bewegingsruimte. De rugzak met onze spaarcentjes, ik voelde me ineens heel, heel ongemakkelijk.

Ik deed of ik in gepeins was verzonken en meed opzettelijk het oogcontact met Huub. Hij zou oogcontact hebben opgevat als een opening om een diepgaand gesprek aan te gaan. Maar ik moest  nú vooral denken, Koortsachtig nadenken! Scenario’s bedenken! What if scenarios. De gedachtes raasden door me heen.

Voordat ik het wist, was Huub klaar. Ik rekende nerveus af, mijn rugzak stevig tegen me aangedrukt. Ik zag de mannen nu allebei naar binnen kijken. Shit, ze keken naar mij! Ze keken naar mijn rugzak! Die klootzakken hadden mij natuurlijk eerder zien pinnen bij de bank. Tegenwoordig bij de bank geen apart kamertje meer om grote bedragen op te halen. Je pint deze gewoon in een van de automaten in hal, na een eenmalige autorisatie om dat bedrag te mogen pinnen. Ze hadden me zien pinnen en ze waren me gevolgd. En ik, naïeveling, was nietsvermoedend bij Huub binnengegaan. Om mijn vrouw te kunnen verrassen. Ik had me onbewust ten prooi gezet in Huubs etablissement. Ik had voor hen de gelegenheid geschapen om in alle rust hun plan te kunnen trekken. Stom stom stom!  Ik klemde mijn huissleutels in mijn handen in de jaszak om deze als wapen te kunnen gebruiken.

Ik ging de deur uit zonder Huub te groeten en zette meteen de pas erin.In de tegenovergestelde richting van de beide mannen. Mijn handen krampachtig om mijn sleutels geklemd. Adrenaline geladen. Klaar om de aanval te weerstaan. Ik zou mijn rugzak beschermen met mijn leven. Ik zou ons nieuwe autootje beschermen. Ons mooie nieuwe autootje. Met tranen in de ogen van de emotie en angst liep ik met grote stevige passen. Ogenschijnlijk vastberaden. Noodgedwongen moest ik de foute richting in lopen. Van de mensenmassa af. Maar wat voor keus had ik?

Ik voelde dat ze achter me aan kwamen en zette een tandje bij. Geconcentreerd op wat er achter me gebeurde!

Concentreren! Niet verslappen! Zoals de samoerai, die de slag hoorde aankomen, voordat deze doel had getroffen. Ik liep sneller en sneller. Ondertussen probeerde ik mij te blijven concentreren op wat niet zichtbaar was. De zintuigen op scherp. Plotseling hoorde ik achter me:”hey mister….”.  Als door een bij gestoken zette ik het op een rennen. Ik rende en rende, zo hard ik kon. Ineens heel veel stappen. Voor mij, achter mij en van opzij. Ze moeten hun collega’s erbij gehaald hebben. Met twee man had ik het misschien nog een kans gehad, maar met meerderen, dat kon ik niet aan. Fysiek niet maar ook geestelijk niet. Ik was uitgeput. Ik gaf het op. Ik kon niet meer. Ik zakte op het trottoir in elkaar, bloed en slijm uitspuwend. Ik wilde mijn aanvallers in de ogen kijken. Het zou mijn laatste heldhaftige poging zijn. Ze zouden geen angst in mijn ogen zien, dat gunde ik ze niet. Ik was de stervende samoerai.

Met moeite draaide ik mij om. Uh? Er was niemand te zien.

Kapper Huub deel 2

Dinsdagochtend. Ik hing het bordje op, dat mijn dochter had gemaakt: “Gelieve alleen met pinpas te betalen””. Zij had me aan zo’n nieuwerwetse  pinpas betaalautomaat geholpen: een ‘betaalterminal’ had de verkoper me verbeterd. Zij had mij ertoe gedwongen. 60 jaar herenkapper en 60 jaar contant afgerekend. En nu stond daar zo’n nieuwerwets monstrum te glimmen, te gruwelen, kan ik betere zeggen. Dat apparaat zou voor problemen zorgen, ik voelde dat aan mijn water.

In het TV programma “Opsporing Verzocht”hadden ze winkeliers geadviseerd, de klant te laten pinnen. Niet teveel contant geld in de kassa.  Hét devies om overvallers te ontmoedigen. Daarna hadden ze de ene winkeloverval na de andere laten zien. Mijn dochter had gekeken. “U bent een gemakkelijke prooi papa”, had ze tegen me gezegd.Tegen me gegild, toen ik een gebaar had gemaakt van maak-je-niet-druk-meisje. “Papa, je bent 76! “! “Of stoppen!”, had ze met haar handen in haar zij gesteld, “of de klant laten pinnen”! Ze had me de weg naar de keuken geblokkeerd, toen ik uit nervositeit een koffie wilde halen. Ze had een beslissing weten te forceren. Op mijn oude dag had ik zo’n technisch pinapparaat aan moeten schaffen. Vandaag was de première, ik was benieuwd, maar ook angstig. Ik was niet zo van die elektronische apparaten had ik tegen mijn dochter als tegenargument aangevoerd, maar ze was niet voor rede vatbaar geweest.

Mijn eerst klant kwam binnen. Hij was al 30 jaar klant. Mooi dik grijs haar. Interessante man. Oud directeur van NUON, het elektriciteiten bedrijf.We hadden het net over het ouder worden, mijn favoriete onderwerp, toen er een man binnenkwam. Licht getint. De man zag er een beetje uit als een moderne versie van Catweazle. Verwilderd haar dat alle kanten uit stak onder een kale kruin. De man had me verwachtingsvol aangekeken, als wilde hij zeggen: ’vaste klant”. Ik knikte maar, alsof ik hem als vaste klant herkende. Ik nam geen nieuwe klanten meer aan, dat stond ook op de deur. Mijn enige probleem was mijn geheugen. Ik wist het niet zeker van deze man. Al pratende met de Nuon meneer zocht ik koortsachtig mijn geheugen af. Ik zocht naar herkenningspunten. Kende ik die man? En als hij al vaste klant was, dan kwam hij in ieder geval niet vaak. Die meneer ‘verstrooide professor’ moest ik toch kunnen herkennen. Rosalie, mijn dochter, had me eerlijk gezegd, ook een beetje bang gemaakt met al die overvallen. De man had wel een chique bril op maar zag er verder wat slonzig uit. Hij hield een zwarte rugzak tegen zich aangedrukt op een manier die wat vreemd voorkwam. Als een kind dat een snoepje uit de trommel heeft gepikt, in zijn schooltas had verstopt en moeder gedag zei, waarbij alles uitstraalde, wat hij had gedaan. Toen hij eenmaal zat, hield hij de tas op zijn schoot. Vreemd, heel vreemd. Ik begon me onzeker te voelen, ik moest de man stiekem blijven observeren.

Ik keek naar buiten en zag die wat ongure mannen voor mijn etalage staan. Ze stonden er iedere dag. Allochtonen. Werkeloos. Hangmannen noemde ik ze. Tegenover mij was het station, hun decorum. Eén keer had ik er iets van gezegd, maar daar had ik dan ook meteen spijt van. Vuile discriminateur!”had een hoerig type uit de groep gegild, terwijl haar borsten wild hadden geblubberd door haar obscene gebaren. Dreigende blikken van de mannen. Ik was gauw naar binnen gegaan met een gebaar van ‘ok, laat maar zitten, ik heb niets gezegd’. Ik had geen zin in een steen door mijn ruit na sluitingstijd. Deze keer was ik blij met hun aanwezigheid. Ik vertrouwde meneer ‘rugzak’ niet. En wat zat er in die rugzak? Waarom deed die man zo spastisch? Alleen als er een wapen in zat en hij iets slechts van plan was, of als er net een bank was beroofd, en hij een alibi bij de kapper zocht, zouden logische verklaringen zijn geweest, voor dat nerveuze gedrag. Ik moest  nu vooral denken! Niets laten merken. Scenario’s bedenken. What if, scenarios. De gedachtes raasden koortsachtig door me heen.

Nadat meneer Nuon was vertrokken nodigde ik de man uit plaats te nemen, mijn ogen gefocust op zijn rugzak. Eenmaal op de stoel snoerde ik hem de kappersschort strakker aan dan normaal om hem preventief in zijn bewegingsruimte te belemmeren. Hiermee won ik tijd. De rugzak had ik bijna uit zijn armen moeten rukken, hij wilde hem op zijn schoot houden. “We zetten hem hier wel neer meneer”had ik hem daadkrachtig gezegd, en had de rugzak met enige dwang uit zijn handen getrokken en op de stoel naast mij gezet. Zo kon ik hem én de tas in de gaten houden. De man was opvallend stil geweest tijdens het knippen. Hij had ieder oogcontact met mij vermeden en had constant opgelet op de mannen buiten. Hij was iets van plan, dat voelde ik aan alles. Op de aanwezigheid van de hangmannen had hij waarschijnlijk niet gerekend.

Toen ik klaar was had de man nerveus betaald, nog eens naar de mannen voor het raam gekeken en was vertrokken zonder te groeten. Toen ik me realiseerde dat de man ook echt was vertrokken, begon ik te bibberen, te beven en te shaken. Dat schorem voor de etalage hadden mijn leven gered. Ik moest het gezicht van de man onthouden, zijn signalement. Voor “Opsporing Verzocht”. Ik schreef op:  man, lichte huidskleur, ongeveer 1.73 lang, zo rond de 65 jaar, kalend in de kruin, gekortwiekt grijs stekeltjeshaar.

Er waren in de dagen erna geen meldingen gekomen van: man gezocht met zwarte rugzak. Ik zag de man later in de stad lopen, nog steeds met rugzak.  De man had me verwachtingsvol aangekeken, als wilde hij zeggen: ’vaste klant”.

HenrB.

Don`t copy text! Auteursrechtelijk beschermd, Plagiaat check ingeschakeld op verzoek uitgever