Een dialoog met mijn kleinzoon

De huiskamer zuigt gulzig de zonnestralen naar binnen, schaduwen en contrasten uitademend. Het zonlicht verpoedert de stofdeeltjes op zoek naar allergieën. De staande lamp werpt hierin haar schaduw langwerpig naar voren als de slang van een stofzuiger getooid met een zuigmond met dikke negerlippen. De palm in de hoek van de kamer weerspiegelt geduldig diens alter ego  over het tapijt als een octopus, zich dood houdend om in een fractie van een seconde te kunnen toeslaan, de voorbij zwemmende visjes eerst te verlammen om dan in alle rust aan zijn maaltijd te kunnen beginnen.  Onze chihuahua heeft van dit alles geen benul en is op zoek naar gevallen gegraande kruimels van het ontbijt. Haar dagelijkse bekommerende beslommering. Op zoek naar eten om te overleven, ingegeven door oerinstincten.

De kamer is groot. Groter dan de meeste huiskamers. Met een heel groot raam op het zonlichte zuiden. Zo’n tien meter lang en kamerhoog, wat voor veel, heerlijk honigzoet licht zorgt. We zitten op de sofa mijn kleinzoon Vos en ik. De grote tv tegenover mij aan de wand heeft zich vermomd als een glimmend zwart gelakt scherm dat door de invallende zon slechts een achtergelaten traag spoor laat zien als van een naaktslak. Een grote beschilderde Boeda aan de wand in een gouden frame, rechts van mij en gedeeltelijk achter twee verse orchideeën verscholen, kijkt me aan met nagenoeg gesloten ogen. Ze lijken uit te stralen dat het leven opgevat moet worden als één grote meditatie waar geen plaats is voor oorlog maar waar slechts vredigheid en sereniteit heerst. Ik hou van boeddha afbeeldingen. In de open keuken, dat een behoorlijk stuk links van mij is gesitueerd, is het pauze. Over een uurtje zal er weer pannengerinkel te horen zijn, maar nu is het heerlijk stil. Mijn kleinzoon kijkt me geduldig aan. Hij weet nog niet dat ik een hartig woordje met hem wil spreken, maar merkt wel aan mijn serieuze blik dat het een belangrijk moment voor mij is en wacht geduldig af.

Ik open het gesprek. Serieus. Naar de grond kijkend om me beter te kunnen concentreren. “Vos, ik moet wat met je bespreken.” Ik voel dat hij me aankijkt met een air van ‘wat gaan we nu weer beleven’. Het is de intonatie van mijn woorden die de lading dekt. “Vos,” zo ga ik verder, “ik wil het met je hebben, over je meer dan normale belangstelling voor vrouwenborsten”. Dat klonk een beetje weird, toegegeven, maar het was het beste wat ik op dat moment uit mijn arsenaal tevoorschijn kon toveren. Ik kijk hem aan, om de impact van mijn uitspraak op waarde te kunnen inschatten. Als onze ogen zich met elkaar verbonden hebben in de vloeibaarheid van het moment, zegt hij: “Nonno….,” zijn koosnaampje voor mij omdat ik veel in Italie vertoef. Dan tovert hij die brede glimlach die zo kenmerkend voor hem is, tevoorschijn en kijkt hij me uitdagend, enigszins retorisch vragend aan. Met van die sterretjes in die felblauwe ogen van hem, welke ogen alles zeggen wat er gezegd kan worden over dat onderwerp. Die betoverende ogen waarin zich een fijn sterachtig netwerk heeft vervlochten met een variëteit aan toonschalen. Het heeft er zich genesteld als een fijnmazig spinnenweb, gereed om nare of rare boodschappen te vermurwen. In mootjes te hakken. In hapklare brokken, teneinde verpulverd en afgevoerd te worden door lichaamseigen enzymen en bacteriën.

Hypnotiserende ogen ook, waarin het kleurige gedeelte wordt afgezoomd door een  donkerder blauwe rand. Onze Creator heeft dit bij hem op een manier aangebracht, zoals een middeleeuwse grootmeester het ook gedaan zou hebben. Een fijn penseel van marterhaar, het indanthrene blauw aanzettend, met de verfijnde door God geleide mensenhand. Welke taak je als kunstenaar ook alleen maar kán doen, als doorgeefluik van het Goddelijke. Zoals een meesterkok van hogerhand geholpen wordt om zijn ingrediënten energetisch samen te voegen. Er zo een beetje ‘magie’ aan toevoegt, wat we niet direct zo zien maar wel proeven. Of zoals de  Geisha haar groene thee bereid in een serene heiligheid van het moment.

In het centrum van  ieder van de twee felblauwe eilanden in het oogwit van oceanen, is het zwarte gat gesitueerd, dat toegang geeft aan het zien van de waarnemingen. Het zwarte gat, waarvan de grootte zo mooi mee wiegt op de variatie van de hoeveelheid beschikbaar licht. Die zwarte middelpunten, die me op dit moment het universum binnen zuigen en me een reis laten maken naar de spirituele waarden van het zijn. Ze laten me kennis maken met de mystiek van de tegenpool van dode materie. De eenwording van bewegende deeltjes, die zich tot een organisch geheel hebben ‘verlichaamd’. Ik was de beoogde dialoog alweer vergeten, door de trance waarin ik was terecht gekomen, als hij plotseling los barst, zijn aandeel leverend in de dialoog. Een aanhoudende woordenstroom valt me ten deel.

“Ta ta ta ta tu tu ti ti ti” kraait hij luidruchtig. Dan kruipt hij enthousiast  naar me toe. Ik pak hem op en knuffel hem intens. De liefde die van hem uitstraalt, verplaatst zich door mij heen en vult mijn cellen met magma. Dan komt mijn dochter binnen om hem te voeden. Als ze hem op de schoot neem roept Vos: “bosz bosz”, haar bloesje half open trekkend.

Don`t copy text! Auteursrechtelijk beschermd, Plagiaat check ingeschakeld op verzoek uitgever