De Wederopstanding

De marmeren vloer voelde koud aan. De eeuwenoude geuren en energieën die me omringden onder de gewelven van de kerk, deden me rillen zonder ophouden. Het was pikkedonker. Het licht van mijn iPhone wierp enge schaduwen op, als richtten de overleden heiligen zich uit hun grafzerken op, om me in de gaten te houden. Als wilden ze weten wat ik daar allemaal in mijn eentje uitspookte, klaar om me te wurgen als dat nodig was. Mijn keel te vermorzelen met hun handen, die ik niet kon zien maar wel kon voelen. Oude handen, maar gesterkt door hun eeuwenlange rust in de graftombe, wachtend op momenten als deze. Ik liep op blote voeten. Op deze manier kon ik de betekenis van de droom proberen te achterhalen.

Het was een van de weinige dromen die ik had kunnen vasthouden bij het wakker worden. Ik was er ook alert op geweest, om meteen bij het opstaan wat aantekeningen te maken. Deze droom had me bezig gehouden. Voor mijn gevoel de hele nacht. Ik was met zweet op het voorhoofd wakker geworden. Een gevoel dat ik een visioen had gehad. Een boodschap. De betekenis ervan was belangrijk. Voor mijn zielenheil. Nooit eerder had ik een droom gehad, die me zo de richting had gewezen. Hoe rust te vinden. O, wat verlangde ik  er naar dat het even niet meer zo spookte in mijn hoofd. Die onrust in mijn hoofd, die mijn lijf zo vermoeide. En nu lag er een visioen. De droom zou gevolgd moeten worden, opgevolgd moeten worden. De klus zou en moest geklaard worden. Het had wel iets engs, morbide. Iets mysterieus, geheimzinnigs, maar het was het me waard. Ik wilde vrede in mijn hoofd. Bevrijd worden, van de grip die de onrust had op mijn sociale leven. Weer vrij zijn. Weer kunnen zingen en lachen. Weer eens een terrasje kunnen pikken. Een relatie die eindelijk eens een keer stand hield. En dus liep ik hier midden in de nacht, in het pikkedonker door de kerk. Op blote voeten, want zo was het ook gegaan in de droom. Ik was op het punt beland waar de droom was gestopt. Vlak voor de ontdekking. Vlak voor de revelatie. Vanaf nu kwam het aller moeilijkste. Me laten leiden door een hogere macht. Meer zat er voor dit moment niet in. De droom had geen platte grond achtergelaten, met een kruis waar een gat gegraven moest worden of zoiets. Nee, ik voelde daarentegen wel dat ik geleid zou gaan worden. Dat het aan mij geopenbaard zou worden. Dat was in de droom ook zo geweest.

‘s Middag had ik me al verstopt, boven, achter het orgel, zodat ik nu, om 00.00 uur mijn gang kon gaan. Dat was de opdracht geweest in de droom. De klok moest 12 keer geslagen hebben. Ieder klap van de klepel was door merg en been gegaan. Het voelde als een marteling in een kasteelkerker vol met spinnenwebben. In zo’n eng kasteel dat zich op het puntje van een steile rots bevond dat boven de wolken uitstak. Ik moest tot tien tellen, dat hielp me vaak om weer bij zinnen te komen. Eenmaal bekomen van de schrik was ik voorzichtig de kerktoren trap afgedaald. Er leek maar geen einde aan te komen. De trap die nog uit de 12de eeuw dateerde. “Hoeveel mensen vóór me zouden de treden beklommen of afgedaald zijn”, vroeg ik me af. En nu stond ik daar in het middenschip van de kathedralen kerk met mijn iPhone als enige verlichting. Op een vloer die er meer dan 600 jaar geleden was gelegd. De kerk die uit 1484 dateerde. Die zich midden op de Grote Markt van Turnhout in België bevond. Omgeven met eettentjes en kroegen als “Taboerke”, “Ciao”, “Divine” -hoe toepasselijk- en het “Grand Café Depot” . Het Italiaanse restaurant “De Waterput”, waar je zo lekker kon eten voor weinig geld.

In het schijnsel van mijn telefoontje zag ik ineens het enorme spreekgestoelte. Het leek op een enorme eik met alle uitsteeksels en enge ogen en een mond waar woordenstromen uit konden vloeien. Het spreekgestoelte, van waaruit het volk al meer dan 600 jaar werd toegesproken. Bang gemaakt. Gedreigd met hel en verdoemenis voor het begaan van hun zonden. Ik draaide me om als had ik het gevoel begluurd te worden. Grote mannen vereeuwigd door kwast en olieverf keken op me neer: Van Arendonk, een martelaar uit 1667. Meneer Esschut uit 1597. Zijn dramatische ogen bleven me volgen als draaide ze mee naar waar ik me bevond. Ik volgde de kruistocht afbeeldingen. Nummer X, IX,VIII,  tot mijn oog op een kleine nis viel. Achter een hek stond een klein altaar met een paar kniel stoelen ervoor. Er waren meer van deze nissen, maar deze trok mijn aandacht. Waardoor kon ik niet zeggen. Niet door iets fysieks. Meer door een onzichtbare hand die mij die richting instuurde. De poort van het hek was op slot. Het was muisstil. Ik hoorde slechts mijn eigen adem ruisen door mijn keel. Gespannen door wat ik aan zou kunnen treffen. Ik trok paniekerig aan het hek en riep zonder geluid te maken: “help me”. Tot mijn verassing gaf het hek mee. Mijn aandacht werd meteen naar een schilderij getrokken. “Heilige Henricus” stond eronder geschreven in mooie Gotische gouden letters. De Heilige Henricus?! Een shock ging door me heen. Alsof ík daar was afgebeeld. Henricus, neergeknield. Blote voeten. Ontbloot bovenlichaam, bloedende diepe striemen op de rug. Ik voelde zijn pijn, als opnam het me mijn adem. Het onrecht wat hem was aangedaan. Ik ontdeed me besluitvol van mijn blouse en mijn hemd en knielde voor hem neer. Op hem gefixeeerd, als verwachtte ik dat hij me aan zou spreken. Als een zachte windvlaag leek iemand in mijn oor te fluisteren: ”het is goed met me Henri, je mag het loslaten.” En toen gebeurde er een hoop dingen tegelijkertijd. Het voelde alsof er een paar honderd jaar oude last van me afviel. Een intense liefde stroomde daarvoor in de plaats door mij heen. Een liefde die niet van deze wereld was, die ik  nooit eerder had gevoeld. Ik voelde me bevrijd, verheven. Ik stond op en kuste de voeten van de Heilige Henricus. In een gelukzalige trance liep ik vervolgens naar buiten. Het zwarte van de kerk had plaats gemaakt voor een door de sterren en de maande verlichte nacht. Het voelde alles zo vredig. De lantaarnpalen verlichtten het mooie kerkplein. De gesloten kroegen waren getuige van mijn wederopstanding. De onrust die me jaren had geteisterd, had ik in de kerk achtergelaten. Het was in veilige sterke oude handen.

HenriB.

Don`t copy text! Auteursrechtelijk beschermd, Plagiaat check ingeschakeld op verzoek uitgever