Een casino brengt alleen maar ellende (Perspectief 1)

In mijn gedachten zag ik het zweet op het voorhoofd van mijn vriend. Ik kon zijn angst en paniek haast voelen, zelfs vanaf mijn roulette tafel iets verder op. Niet kijken, hield ik mijzelf voor. Aan zijn ogen zou ik aflezen dat het slecht met hem ging. Het zou me teveel afleiden. Zijn gekrab aan zijn hoofd en het constante doorwoelen van zijn haar zouden mijn focus op mijn tafel verdoezeld hebben en dat wilde ik niet. Ik mocht niet verslappen. Perse niet, niet nu, uitgerekend niet nu. Het ging om geld, veel geld. Daarom keek ik niet naar hem. Ik wilde bij de les blijven. Ik wilde niet weten, wat ik eigenlijk al wist, maar ik kon er ook niet helemaal onder uit. Het voelde als een tweestrijd. Vooral als ik een spoor van de angstgeuren van mijn vriend rook. Ik had een goede neus, altijd al gehad. Een dierlijke capaciteit, die me altijd meer had geschaad dan geholpen, zoals nu. Ik kon zijn angst ruiken! Maar ik wilde die niet ruiken. Omdat ik niet mocht verslappen. Ik was eraan begonnen, het ging me voor de wind, eindelijk, en ik wilde meer. De hebzucht die zich van mij meester maakte, wilde alles! Daarom mocht ik niet verslappen. Toch rook ik af en toe, in een onbewaakt ogenblik, zijn angst. De angst voor het onvermijdelijke. Ik was bang dat hij op het punt stond om alles kwijt te raken wat hij in jaren had opgebouwd. De spaarcentjes waren er al snel doorheen gejaagd geweest. Hij had mogen lenen van de Casino bank. Hij had wel moeten tekenen voor de consequenties. Hoge rente. En naarmate terugbetaling uitbleef, zou de rente stijgen.
“Niet doen, alsjeblieft niet doen!” Had ik hem gezegd, gesmeekt. Maar hij was niet meer te houden geweest. ”Jij hebt makkelijk kletsen, jij staat op winst”, had hij me toegesnauwd, als misgunde hij me mijn succes van de avond. Ik de ‘nerd’. Degene, die er al vanuit gegaan was, dat ik zou verliezen. In tegenstelling tot mijn vriend, die er vanuit gegaan was dat hij zou winnen. De rollen waren omgedraaid. Ik stond op winst en hij op verlies. Hij wilde perse het verlies goed maken. Daarom had hij de overeenkomst getekend, boos op de bank, boos op mij, boos op zijn vrouw, boos op de wereld. Hij had getekend tegen beter weten in, en was bruusk naar zijn tafel teruggegaan. De tafel waar hij al zoveel verloren had. Uitgerekend naar diezelfde tafel was hij terug gegaan. Dat had met kansberekeningen te maken. Ikzelf zou nooit naar zo’n pech tafel teruggegaan zijn. Ik had het niet zo op met kansberekeningen. Hij wel. Daarom moest hij aan díe tafel blijven doorspelen, wist ik.
“Hij had nooit moeten lenen,” dacht ik. Hij had nooit dat contract moeten tekenen. Toch had hij het gedaan. Hij was ten einde raad geweest, zou hij later in het ziekenhuis tegen me zeggen. Hij had ingezet op het verschijnen van vrouwe Fortuna. Ze zou zich echter die avond niet aan hem openbaren. Hij was blind geweest, doof geweest, voor de waarschuwingen: “ga nooit te lang door als je verliest!” Ook niet als je wint!” “Stop als het nog kan!” “Reserveer wat je die avond mag verliezen! En als je het hebt verloren, drink een biertje en laat het daar dan bij, ga zeker niet verder!” Waarschuwingen, die hij ooit voor zichzelf had bedacht. Die avond zou hij ze in de wind slaan.
Ik had me afgesloten voor de prikkels van buiten. Ik wilde me vooral concentreren. “Laat je niet mee sleuren met de shit van je maatje!“ riep ik steeds weer tegen mijzelf, om me tot de orde te roepen. Ik concentreerde me op het gesprek in mijn hoofd: “zet ik in op rood of zwart? Of op 19 of 12?” Ik wachtte geduldig op antwoord. Soms liet deze even op zich wachten, alsof mijn onderbewustzijn allerlei berekeningen doorvoerde. Duidelijk kwam het: ”alles op 9”. Mijn fiches schoof ik naar de 9. Geen twijfel. Die avond luisterde ik naar de stem in mijn hoofd. En, steeds waren fiches in meervoud mijn richting terug geschoven geweest.
Plotseling voelde ik een hand op mijn schouder. Ik keek in de ogen van iemand waar het leven uit gewrongen was. Mijn vriend. Verslagen door het balletje, dat steeds zijn gedachten en zijn wensen had weten te vermijden. Moe gestreden. “Cashen Jeroen” had hij in mijn oren gefluisterd. Hij had geklonken als een dronkaard. De woorden waren er kwakkelend uit gekomen. Zijn hand had klam, warm en koud tegelijk, aangevoeld, door het stof van mijn jasje heen. “Jeroen het is met mij slecht gegaan” stamelde hij, “cash nu Jeroen! Cash nu, voordat jij ook alles kwijt bent!” Het had wanhopig geklonken. Mijn “gesprekspartner, beschermengel of wie of wat het dan ook mocht zijn,hoorde ik daarentegen in mijn hoofd fluisteren: “Ga door, je zult winnen!” Verdubbel je winst om je maatje te kunnen helpen uit zijn ellende!” Zet alles op ‘even’!” De gedachten gierden door mij heen. “Mijn maatje helpen uit zijn misère, mijn maatje helpen”, rentte ik mezelf in. Mijn hand had instinctief alle fiches op ‘even’ geschoven als in een roes. Het zou de laatste zet worden. Om mijn maatje te kunnen helpen. Dan zou ik cashen.
Ik zat in het ziekenhuis. Een dag later nadat we hem hadden gevonden, aan de oever van het water. Bewusteloos. Hij had koud aangevoeld. We hadden geen hartslag gevoeld. Alsof het leven uit hem was geslopen. Aan de rand van het water. Het donkere kolkende water. Het water was te koud geweest, zou hij later zeggen. Hij was erdoor bij zinnen geraakt. Erdoor wakker geschud, als uit een hypnose. In een flits, als een life review, had hij aan zijn familie gedacht en aan zijn kinderen. En ineens wilde hij niet meer dood. Met heel veel moeite was hij aan de doodsgreep van het water ontkomen. Een strijd tussen het verlies in het casino en de liefde voor zijn familie. Deze laatste had hem uit de wurggreep laten ontsnappen. Terug op de kant had hij gehuild en gehuild, tot hij door onderkoeling buiten westen was geraakt. Zijn vrouw en ik hadden hem gevonden daar, aan het water.
We waren de hele nacht op zoek geweest, nadat hij ineens was verdwenen na mijn laatste ongelukkige zet.


Een casino brengt alleen maar ellende: Perspectief 2

In gedachten zag ik de pretoogjes van mijn vriend voor me. Hij was aan het winnen. Af en toe galmde die typische hartenkreet van hem door de zaal:”yes!”. Hem kennende zou hij dat al staande doen, zijn rechter elleboog krachtig naar achter bewegend, om de ‘yes’ meer kracht bij te geven. Hij kon ook zo luidruchtig zijn als hij het naar de zin had. Hij lachte dan (iets té) hard. Vooral om zijn eigen grappen. Maar ook als er in zijn ogen iets lolligs om hem heen gebeurde. Zoals de man, die vergeten had zijn gulp dicht te doen. Of van die andere man, waarvan zijn toupet scheef stond. Of die vrouw, die haar vriendin wilde wenken en in haar zwaaibeweging de bril van de buurman van zijn neus stootte. Dat soort dingen. Hij lachte dan zo hard, dat iedereen in de zaal even stopte, met, waar ze mee bezig waren. Als hielden ze de pauzeknop even ingedrukt, om te kunnen beoordelen of het de moeite waard was het spel te onderbreken. Als je hem niet zou kennen, zou je ‘profielneurose’ bij je partner in de oren fluisteren. Maar ik wist dat het pure enthousiasme was. Je voelde de adrenaline dan haast uit zijn poriën stromen. Hij was geliefd bij de meeste mensen die hem kenden. En ook nu stond hij weer in het middelpunt van de belangstelling. Zijn luidruchtigheid nam evenredig toe met de groei van het aantal fiches.
Ik was bewust aan een ander roulette tafel gaan zitten deze avond. Ik moest me concentreren, had ik mezelf aangepraat. Niet dat deze concentratie me iets opleverde, maar het was mijn manier, om de boel niet uit de hand te laten lopen. Ik was een controller, altijd al geweest. Ik had overzicht nodig en een droge keel, in tegenstelling tot mijn maatje, die pas echt tot zijn recht kwam onder het genot van een drankje, meerdere drankjes, alcoholische drankjes. Dan was zijn intuïtie op zijn best. Ik was meer een droogkloot. Ik had vooral tijd nodig. Om na te denken. Om te blijven controleren wat ik deed. Geen misstappen voor mij, alles berekend. Mijn maatje niet. Hoe sneller het spel ging, hoe beter hij in zijn element kwam. Hij leek dan onbesuisd. Maar het was puur instinct. Het instinct van een killer. Van een winner. Een vooral luidruchtige winner. Geluidsproductie voedde zijn instinctief vermogen, zo leek het. Ik zou steeds stiller hebben moeten worden, als ik niet van nature al stil van aard was geweest, want míjn stapel fiches slonk met de minuut. Ik had het eigenlijk helemaal niet zo op met casino’s. Ik was van mening dat casino’s uiteindelijk alleen maar ellende opleverden. Maar mijn maatje wilde deze avond perse het balletje laten rollen. “Ik voel dat het vandaag mijn ‘lucky day’ is, dus we gaan vanavond naar het casino!”, had hij me verordonneert. Het had geen zin gehad om tegen te sputteren, ik kende hem. Dus had ik me erbij neergelegd en had ik mezelf beloofd ,niet meer te mogen verliezen dan 100,- euro. Dat ik zou verliezen, dat stond voor mij al vast voordat de avond was begonnen. Zoals voor mijn maatje al vast stond dat hij zou gaan winnen.
Ik voelde me een ‘nerd’. Deze avond beslist meer dan anders. Ik was eigenlijk écht een droogkloot! Ik walgde van mezelf. De walging die evenredig leek toe te nemen, met de toename van de luidruchtigheid van mijn maatje. Ik moest drinken, dronken worden dacht ik. Ik wil ook lol. Ik wil ook de beest uit hangen. En toen gebeurde het onvermijdelijke. Een wodka, nog een wodka en nog een. Mijn stapel had ik uitgebreid met een tweede briefje van honderd, en toen het derde en vierde. En na nog een wodka het eerste briefje van duizend. Nog een wodka. En als het stapeltje fiches was verdampt, het leek te verdampen, dan waggelde ik naar de bar voor een wodka. Van daar naar de kassa. Wisselde het tweede, het derde en aan het eind van de avond het 10de briefje van duizend om in fiches. Ging zo gemakkelijk, dat lenen. Je handtekening zetten leverde de nodige pecunia’s op om vrouwe Fortuna uit te dagen. Maar ook daar kwam voor mij klaarblijkelijk een eind aan. De limiet van kredietfaciliteit was bereikt, had de man me binnensmonds toe gegromd vanachter zijn loket. Verder contact was niet mogelijk. Ik keek hem vol ongeloof aan. Hij kwam me voor als een geest, een robot geest die me geen blik meer waardig gunde. Die dwars door me heen keek naar de volgende klant. Mijn hoofd was zwaar. Mijn hersenen leken het zuurstof uit mijn bloedvaten te hebben geperst, toen ik terug waggelde naar mijn stoel. Waar ik gezeten had zag ik een natte plek. Ik voelde aan mijn broek. Ook nat, vanaf de gulp bijna tot mijn knieën. Totale vervreemding van wie ik in werkelijkheid was. Ik keek in de richting van waar mijn maatje moest zitten. Ik zag hem om zijn stoel staan en zijn publiek toeroepen. Hij voerde een act op als een volwaardig redenaar. De schare mensen om hem heen als zijn fans. Zij amuseerden zich met zijn losbandigheid. De euforie was hem naar het hoofd gestegen. Hij dirigeerde het spel vanuit de hoogte. Hij had het tienvoudige van mijn verlies aan stapels fiches voor zich liggen, en wilde alles op de 9 inzetten. Alles of niets had hij geproclameerd als een waar acteur. Hij had altijd al audience gewild. De “9”, mijn ongeluksgetal. Ik schreeuwde “niet doen!!!! niet doen!!!” Maar hij was niet te houden geweest. De mensen om hem heen scandeerden “9! 9! 9 9! “ Hij werd grootser en grootser, draaide zich naar me om. Wilde ogen, die opstandigheid en bravoure uitstraalden, als genoot hij van mijn angst. Vervolgens reciteerde hij, als uit Shakespeare, met een passende zwaai van links naar rechts, de mensen een voor een indringend aankijkend, totaal onverwachts: “ik pas”. Hij had daarbij een trotse blik gehad, alsof hij heel het casino een rondje had gegeven. Heel even was het publiek perplex geweest, toen ging ieder weer hun eigen weg. “Ik pas pas, pas, pas, pas,” had het door mijn hoofd gegalmd. Mijn vriend had de eer gered. Ik wist dat hij gul voor me zou zijn. Ik voelde me gered van de schande, de controle te zijn kwijtgeraakt. Toen ging ik tegen de grond, zo dronken als een Maleier.
Na veel koffie presteerden we het op de been te komen. De zakken gevuld met geld. Veel geld. We liepen, hangend aan elkaar, richting huis. Zwalkend en luid zingend. Aan een taxi hadden we niet gedacht. De euforie had ons minder praktisch gemaakt. We voelden ons vrij en bevrijd. Het liefst hadden we gevlogen, scherend en zingend langs de gevels. Zelfs ik. Het leven had het goed met ons voor, vonden we, op dat moment. Toen zagen we ineens een groepje gemaskerde mannen, links van ons uit het steegje, op ons afkomen. Het leek alsof ze ons hadden opgewacht, zou ik later tegen de politie zeggen. Ik had een klap in mijn nek gevoeld voordat alles donker werd.

Don`t copy text! Auteursrechtelijk beschermd, Plagiaat check ingeschakeld op verzoek uitgever